|
Het bedrijfspand: afschrijven of afwaarderen naar lagere bedrijfswaarde?
Mr. Iris Kunst-Kersting
Als gevolg van de Wet Werken aan Winst zijn per 1 januari 2007 de regels voor afschrijving veranderd. De maximale jaarlijkse afschrijving voor goodwill bedraagt ten hoogste 10% van de aanschaffingskosten en voor overige bedrijfsmiddelen ten hoogste 20% van de aanschaffings- of voortbrengingskosten.
Voor bedrijfsmiddelen wordt eerst op grond van algemene regels de omvang van de totale afschrijving bepaald, rekening houdend met de restwaarde. Ook de jaarlijkse afschrijving moet worden vastgesteld. Deze jaarlijkse afschrijving kan door de fiscale wet begrensd zijn.
Gebouwen
De afschrijving op een gebouw is in een jaar slechts toegestaan indien en voor zover de fiscale boekwaarde hoger is dan de bodemwaarde van het gebouw. Deze bodemwaarde is gerelateerd aan de WOZ-waarde. Zodra de boekwaarde daalt tot de bodemwaarde wordt fiscaal de afschrijving stopgezet. Stijgt de bodemwaarde tot boven de boekwaarde, bijvoorbeeld door een waardestijging van het gebouw (inclusief grond en aanhorigheden), dan wordt de afschrijvingsmogelijkheid bevroren. Er hoeft dus geen winst te worden genomen. Voor beleggingspanden is de bodemwaarde gesteld op de helft van de WOZ-waarde.
Crisismaatregelen
Op grond van fiscale stimuleringsmaatregelen mag bij het aangaan van investeringsverplichtingen of het doen van investeringen in 2009 in dat jaar maximaal 50% worden afgeschreven. Ook in 2010 mag versneld worden afgeschreven, eveneens maximaal 50%. Om deze regeling voor versnelde afschrijving te kunnen toepassen moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan.
1 Het moet gaan om nieuwe bedrijfsmiddelen: investeringen in tweedehands bedrijfsmiddelen vallen buiten de regeling.
2 Het mag niet gaan om o.a. investeringen in gebouwen, auto’s (met uitzondering van ’groene’ auto’s) en goodwill.
3 De betreffende bedrijfsmiddelen moeten voor 1 januari 2012 daadwerkelijk in gebruik worden genomen.
Indien u gebruik maakt van deze faciliteit dient u zich te realiseren dat versnelde afschrijving in 2009 en 2010 leidt tot een hogere winst in latere jaren. Doordat het tarief van de vennootschapbelasting in beide jaren is teruggebracht tot 20% voor de eerste € 200.000 aan winst, is het nog maar de vraag of het interessant is om versneld af te schrijven.
Bijzondere omstandigheden
Het komt voor dat een ondernemer zijn bedrijfspand verouderd vindt maar de locatie van zijn oude bedrijfspand graag wil behouden. Denk bijvoorbeeld aan een supermarkt op een mooie zichtlocatie. Hij kan dan besluiten zijn oude pand af te breken en op de zelfde plaats een nieuw pand neer te zetten. Veelal is dan ook een aantal belendende panden gekocht die ook worden afgebroken. De ondernemer zal geneigd zijn de boekwaarde van de opstallen geheel ten laste van de winst af te boeken en de bouw van het nieuwe pand te activeren. Vaste jurisprudentie is echter dat de opstallen dan niet tot nihil mogen worden afgeschreven. Nu de ondernemer kennelijk bereid is om de restwaarde van de oude opstallen op te offeren voor het nieuwe pand, mag niet tot op nihil worden afgeschreven.
Afwaarderen tot lagere bedrijfswaarde?
Onder bedrijfswaarde wordt verstaand de waarde die een bedrijfsmiddel nog heeft voor de onderneming. Het is mogelijk dat een bedrijfsmiddel voor de onderneming minder waard is dan de (fiscale) boekwaarde en dat de opbrengst bij verkoop ook lager zal zijn. Te denken valt aan een machine die gekocht was om 10 jaar dienstbaar te zijn aan de onderneming maar die al binnen vijf jaar is verouderd door nieuwe technieken. Indien de ondernemer kan aantonen dat de bedrijfswaarde lager is dan de boekwaarde, kan het bedrijfsmiddel in een dergelijk geval worden afgewaardeerd naar de lagere bedrijfswaarde. Afschrijvingslimieten tellen dan niet.
Let op.
Als ten tijde van de aanschaf van een bedrijfsmiddel al bekend was dat de bedrijfswaarde van het bedrijfsmiddel lager is dan de waarde die volgens de afschrijvingsregels dient te worden gehanteerd, dan mag niet worden afgewaardeerd tot op de lagere bedrijfswaarde.
Stel een ondernemer neemt een winkel over met inventaris. Na 3 jaar blijkt de inventaris vervangen te moeten worden. In de eerste twee jaar moet hij fiscaal rekening houden met de afschrijvingslimiet van 20%. In het derde jaar kan hij afwaarderen naar lagere bedrijfswaarde, stel dat dit de verkoopopbrengst is. Hij kan overigens geen gebruik maken van de versnelde afschrijving omdat sprake is van een gebruikt goed.
|