Gebruiker:
Wachtwoord:
Log in
Afdrukken

Vraag 3 Vijf vragen en antwoorden over de nieuwe afschrijvingssystematiek

Vraag 3: vijf vragen en antwoorden over de nieuwe afschrijvingssytematiek

Met betrekking tot de nieuwe regelgeving afschrijvingen met ingang van 01-01-2007
ben ik zo vrij u te verzoeken mij nader te informeren.
Aan de hand van een casus wil ik u enige uit uw artikel voor mij voortvloeiende Vragen
ter beantwoording voorleggen.

  • Aankoop inventaris per 01-01-2005 € 70.000,--
  • restwaarde € 20.000--
  • Af te schrijven € 50.000,--
  • De jaarlijkse afschrijving is gesteld op 20% ofwel € 10.000,--

Antwoord redactie

Uitwerkingen aan de hand van de wettekst:
Sinds 1 januari 2007 geldt een plafond aan de jaarlijkse omvang van de afschrijving, waardoor indirect de periode waarover kan worden afgeschreven wordt vastgesteld. Met de in de wet gehanteerde term 'ten hoogste' wordt tot uitdrukking gebracht dat goed koopmansgebruik ook kan eisen dat jaarlijks een lager bedrag wordt afgeschreven dan de wettelijke 20% voor overige bedrijfsmiddelen, bijvoorbeeld indien sprake is van een langere levensduur van dat bedrijfsmiddel. Wordt een bedrijfsmiddel binnen de afschrijvingstermijn verkocht of onttrokken aan de onderneming, dan kan bovendien een boekwinst- of verlies tot uitdrukking komen in de winst.

Overgangsrecht
De nieuwe regels gelden ook voor bedrijfsmiddelen die voor 1 januari 2007 zijn aangeschaft en nog niet volledig tot de restwaarde zijn afgeschreven. De wet geeft voor die situatie een formule aan de hand waarvan vanaf 2007 het jaarlijkse afschrijvingsplafond dient te worden berekend. Voor overige bedrijfsmiddelen luidt de formule ter berekening van het maximale jaarlijkse afschrijvingsplafond:
12 / (60 - V) x boekwaarde bedrijfsmiddel op 1 januari 2007.
Dat betekent dat het volgens de formule berekende bedrag aan fiscale afschrijving in beginsel nooit hoger kan zijn: de wetgever gebruikt ook hier de term ‘ten hoogste’. Het afschrijvingsbedrag voor deze ‘oude’ bedrijfsmiddelen kan dus ook lager zijn als omstandigheden daartoe noodzaken.

Voorbeeld
In uw voorbeeld bedraagt de boekwaarde van het bedrijfsmiddel bedraagt op 1 januari 2007 € 50.000. Er is dan in totaal 24 maanden afgeschreven
Vanaf 1 januari 2007 bedraagt het jaarlijkse afschrijvingsplafond 12/(60-24) x 50 000 is €16.666 per jaar zoals u terecht opmerkt.

  • De belastingplichtige kan op basis van de formule in 2007 inderdaad maximaal €16.666 afschrijven waardoor de boekwaarde van het bedrijfsmiddel 33.333 zou worden.Nu deze afschrijving niet meer bedraagt dan de destijds berekende afschrijving op basis van de geschatte restwaarde en levensduur, behoeft het af te schrijven bedrag niet lager gesteld te worden.
  • Ook in 2008 bedraagt de maximale afschrijving in theorie 16.666 maar aangezien de boekwaarde van een bedrijfsmiddel nimmer als gevolg van afschrijvingen kan dalen beneden de restwaarde (ad € 20.000), kan in het jaar 2008 slechts € 13.333 afgeschreven worden omdat na deze afschrijving de restwaarde wordt bereikt van € 10 000. Boekwaarde 2008 e.v. bedraagt derhalve € 20.000

Opmerkingen ten aanzien van uw eigen uitwerking:
 

Nog af te schrijven 3 jaren
Daar vanaf 01-01-2007 geen rekening meer behoeft te worden met de restwaarde komen
de volgende vragen naar voren:
Ik merk op dat ook na 1 januari 2007 bij de berekening van het in beginsel af te schrijven bedrag nog steeds rekening gehouden moet worden met een restwaarde (artikel 3.30 eerste lid Wet IB 2001). Weliswaar heeft de wetgever het maximaal af te schrijven bedrag uitsluitend gebaseerd op de aanschafwaarde, maar deze maximering zit in het tweede lid van het wetsartikel in kwestie. Er dient dus eerst gekeken te worden wat de gewone afschrijving zou zijn (rekening houden met kostprijs, restwaarde en levensduur) en vervolgens moet worden bezien of deze afschrijving niet uitstijgt boven het wettelijke maximum van 20% van de aanschafkosten in het tweede lid. Overigens geldt deze techniek alleen voor bedrijfsmiddelen die op of na 1 januari 2007 zijn aangeschaft.

Vraag 1. Mag de komende 3 jaren de jaarlijkse afschrijving gesteld worden op 1/3 van €
50.000,-- ofwel op € 16.666,67;
Dit komt overeen met de uitwerking van uw voorbeeld 12/(60 - 24) x 50.000,--
16.666,67.
 

Antwoord 1: dat klopt

Vraag 2. Zie 1, doch geldt hier jaarlijks het maximum van 20% van de aanschafkosten te
weten jaarlijks € 14.000,—;
 

Antwoord 2: nee. Ook in het nieuwe afschrijvingsregime dient rekening gehouden te worden met de restwaarde en een geschatte levensduur. De wetgever heeft slechts een maximum van 20% gesteld aan het per saldo af te schrijven bedrag. Deze regels gelden evenwel niet voor reeds op 1 januari 2007 in gebruik genomen bedrijfsmiddelen. U dient dan de reeds in het artikel genoemde formule te benutten voor de berekening van de maximale afschrijving en niet het wettelijke percentage van 20%.

Vraag 3. Indien 2 van toepassing is houdt dat dan in dat het 6e jaar nog 3 x € 2.666,67 mag
worden afgeschreven;
 

Antwoord 3. Punt 2 is niet van toepassing

Vraag 4. Gelet op de nieuwe regelgeving is er in 2005 en 2006 jaarlijks € 4.000,-- te weinig
afgeschreven (20% van de restwaarde ten bedrage van € 20.000,—). Mag nu in
2007 een extra afschrijving van € 8.000,-- plaatsvinden en vervolgens de komende
3 jaren jaarlijks € 14.000,—.;
 

Antwoord 4. Nee, inhaalafschrijvingen kunnen zich slechts voordoen fiscaal indien sprake is van bijzondere omstandigheden die het noodzakelijk maken dat een dergelijke waardedaling ook fiscaal wordt verwerkt. Een wetswijziging is nimmer reden voor inhaalafschrijvingen.

Vraag 5. Of is het niet in aanmerking nemen van de restwaarde alleen van toepassing op
investeringen na 01-01-2007 en blijft in mijn voorbeeld de boekwaarde na het 5e
jaar staan op de gestelde restwaarde van € 20.000,—?
 

Antwoord 5. Correct, zie hierboven