Gebruiker:
Wachtwoord:
Log in

November 2008 - Lijfrenten: (weer) een nieuwe fiscale benadering

Lijfrenten: (weer) een nieuwe fiscale benadering

Traditiegetrouw biedt het kabinet op de derde dinsdag in september niet alleen de miljoenennota aan het parlement aan, maar ook de belastingplannen voor het komende jaar. Opvallende elementen van het Belastingplan 2009 zijn o.m. de invoering van een vanaf 1 januari 2008 geldende tijdelijke verlaging van het VPB-tarief, de afschaffing van de eerstedagsmelding en de groene maatregelen ten aanzien van auto's. Minder aandacht kregen de voorstellen ten aanzien van lijfrenten, hoewel een aanzienlijk aantal Nederlanders een of meer van dergelijke polissen in de kast heeft liggen.

Niet alleen lijfrenteverzekeringen maar ook de lijfrentespaarrekening en het lijfrentebeleggingsrecht vallen onder het begrip lijfrente.

Onderstaand schetsen we daarom de voorstellen ten aanzien van dergelijke lijfrenten. De wetgever wil in de lijfrentesfeer een aantal vereenvoudigingen doorvoeren op het terrein van splitsing van lijfrenten, afkoop van kleine lijfrenten en inhouding van loonbelasting op afkoopsommen. Daarnaast vervalt de afrekenverplichting bij emigratie voor saldolijfrenten. Verder wordt de maximumpremiegrondslag verhoogd.

Einde aan gesplitste lijfrentecontracten

Wie momenteel een lijfrentecontract sluit, kan de daarvoor betaalde premie onder voorwaarden als uitgaven voor een inkomensvoorziening in minde-ring brengen op zijn inkomen in box 1. Keerzijde van de medaille is dat de lijfrente-uitkeringen te zijner tijd eveneens in box 1 belast zullen worden, zij het dat de doorsnee bezitter van zo'n lijfrente erop rekent in de toekomst in een lagere tariefschijf te vallen. Indien de betaalde premies niet geheel in aftrek gebracht zijn of konden worden – bijvoorbeeld omdat de maximale fiscale aftrekruimte overschreden is – schrijft de huidige wet een splitsing van zo'n lijfrentecontract voor. De lijfrente wordt dan gesplitst in een deel dat in box 1 wordt geplaatst en een in box 3 vallend deel waarvan de waarde wordt belast volgens de vermogensrendementsheffing.

Een zodanig gesplitste polis brengt voor de uitvoerder nogal wat administratieve rompslomp met zich mee. Voor het box 1-deel zijn de latere uit-keringen immers onderhevig aan de heffing van loonbelasting, maar voor het box 3-deel niet.

Daarom is voorgesteld om vanaf 1 januari 2009 fiscaal de vormgeving van het lijfrentecontract te volgen. Heeft het lijfrentecontract een zogenoemde box 1-vorm – het contract valt in beginsel binnen de formele voorwaarden voor premieaftrek – dan luidt het voorstel om deze lijfrente altijd volledig te belasten in box 1. De box 1-kwalificatie geldt dus ook voor zover de in het verleden betaalde premies niet als uitgave voor inkomensvoorziening in aanmerking genomen zijn of konden worden. Voor deze lijfrenten geldt verder dat voor de niet-afgetrokken premiebetalingen van maximaal € 2.269 per jaar een beperkte saldomethode wordt ingevoerd: de uitkeringen worden dus pas belast vanaf het moment dat een hoger bedrag wordt uitgekeerd dan in totaal aan premies is betaald. Voor het niet-afgetrokken deel boven € 2.269 ontstaat dan overigens een dubbele heffing.

X sluit als aanvulling op zijn pensioen een tienjarig lijfrentecontract af met een jaarpremie van € 8.000. Na vijf jaar premiebetaling daalt het inkomen van X zodanig dat zijn maximaal fiscaal aftrekbare lijfrentepremie nog slechts € 5.000 bedraagt. Als hij evenwel de hogere premie blijft betalen heeft X in totaal 10 * 8.000 = € 80.000 premie betaald. Een deel van de betaalde premie, te weten 5* (8.000 – 5.000) = € 15.000, kon niet door hem in aftrek worden gebracht. Volgens de voorstellen zal de volledige polis worden geplaatst in box 1. Voor de saldomethode geldt, dat van de jaarlijks niet afgetrokken premie ad € 3.000 maximaal € 2.269 in aanmerking kan komen. Wanneer de lijf-rente tot uitkering komt, zal de eerste € 11.345 ( 5 * € 2.269) aan uitke-ringen onbelast zijn. Alle daarop volgende uitkeringen van lijfrentetermijnen zullen volledig onder de heffing van het in box 1 geldende progressieve tarief vallen.

Voor de niet-afgetrokken premies in de jaren tot en met 2008 zal een overgangsregeling gaan gelden. Hoe deze eruit komt te zien is nog niet volledig duidelijk.

Afkoop kleine lijfrenten

Op dit moment is het afkopen van een lijfrentecontract alleen mogelijk als uw lijfrente als oud- regimepolis wordt beschouwd: de koopsompolis is dus afgesloten vóór 1 januari 1992 of de premiepolis is afgesloten vóór 16 oktober 1990. Voor een lijfrentepolis onder het nieuwe regime geldt tot op heden een fiscaal 'afkoopverbod': bij afkoop worden negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen, terwijl bovendien revisierente is verschuldigd. De revisierente bedraagt 20% van de waarde in het economische verkeer van de aanspraak en kan dus aardig oplopen.

De tegenbewijsregeling in de regeling voor revisierente is zeer beperkt: ze kan alleen worden toegepast als de aanspraak op de lijfrente-uitkeringen is bedongen, minder dan tien jaar vóór het jaar waarin de in aftrek gebrachte lijfrentepremies als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen wor-den genoten.

Voorgesteld wordt echter om lijfrentekapitalen waarvan de waarde maximaal € 4.000 bedraagt, op fiscaalvriendelijke wijze af te kunnen kopen. Meerdere lijfrenten bij dezelfde verzekeraar worden hierbij als één lijfrente beschouwd. Het bij afkoop uitgekeerde bedrag wordt aangemerkt als een lijfrentetermijn en zal worden belast in box 1. Het voordeel is echter dat de afkoop niet als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen, waardoor er geen revisierente is verschuldigd. Het bedrag van de maximale afkoopsom wordt jaarlijks geïndexeerd..

Ook bij het afkopen van zo'n kleine lijfrente moet u enkele zaken tegen elkaar afwegen. Zo plegen verzekeringsmaatschappijen bij de afkoop van de lijfrente in één keer de kosten in rekening te brengen die normaal gesproken over een aantal jaren verdeeld zouden worden. De verzekeringsmaatschappij gaat er namelijk bij het afsluiten van een lijfrentepolis vanuit dat zij gedurende een vastgestelde periode geld aan u verdienen. Dat 'gemis' maken ze op deze wijze goed.

Afrekenverplichting bij emigratie

Om de wetgeving op dit punt in lijn te brengen met het Europese recht vervalt met ingang van 1 januari 2009 de afrekenverplichting bij emigratie die geldt voor bepaalde saldolijfrentepolissen. Deze afrekenverplichting be-stond voor saldolijfrenten die waren afgesloten vóór 14 september 1999 en onder het overgangsrecht van de Wet IB 2001 vielen. De voorgestelde wijziging werkt terug tot en met 16 september 2008 voor aanslagen die op deze datum nog niet onherroepelijk vaststaan.

Verhoging maximumpremiegrondslag derde pijler

Sinds 1 januari 2008 geldt het banksparen als een nieuwe manier om fiscaalvriendelijk te sparen voor een pensioen. Om deze fiscale faciliteit van het banksparen te kunnen financieren was de maximumpremiegrondslag voor lijfrenten per 1 januari 2008 verlaagd van € 150.957 naar € 103.257. Hierdoor nam echter het verschil tussen een werknemerspensioen en een pensioen via het lijfrenteregime toe: voor een werknemerspensioen geldt immers geen maximale grondslag. Groepen die zijn aangewezen op het lijf-renteregime voor hun oudedagsvoorziening – zoals ondernemers – zijn hierdoor in een ongunstigere positie gekomen. De maximumpremiegrondslag voor lijfrenten wordt daarom naar het oude niveau teruggebracht en be-draagt per 1 januari 2009 € 153.221 (voor indexatie).