Gebruiker:
Wachtwoord:
Log in

Oktober 2008 - Lening aan eigen BV bleek geen bodemloze put

Lening aan eigen BV bleek geen bodemloze put

De terbeschikkingstellingsregeling ('tbs-regeling') schrijft voor dat een DGA die privévermogen ter beschikking stelt aan 'zijn' BV, belasting verschuldigd is in box 1 over alle voordelen die daaruit voortvloeien. Deze resultaten uit overige werkzaamheden worden dus progressief belast tegen een toptarief van 52%. Gezien het voor deze resultaten geldende winstregime zijn evenwel ook alle met het ter beschikking gestelde vermogen samenhangende kosten aftrekbaar in box 1.

Bereik tbs-regeling

Rechtbank Haarlem heeft begin dit jaar een uitspraak gedaan over de vraag of een specifieke geldlening onder de tbs-regeling viel. De zaak was als volgt. De heer X was sinds 2002 DGA van een BV met dochtervennoot-schap (BV Y). X bezat een middellijk 25%-belang in deze dochter. Deze BV Y hield zich bezig met het ontwikkelen van een systeem waarmee vervoersbedrijven de locatie van hun eigen vrachtwagens zouden kunnen bepalen. Dit systeem verkeerde begin 2003 nog in de ontwikkelfase. X verstrekte op 29 april 2003 een lening van € 10.000 aan zijn BV die dit bedrag diezelfde dag doorleende aan dochter BV Y. Ook twee andere (middellijke) aandeelhouders leenden kort daarna geld aan de BV. Helaas bleek het systeem een fiasco, zodat op 19 november 2003 bij de rechtbank een verzoek tot faillietverklaring van de BV moest worden ingediend. In 2005 werden zowel de BV als dochter BV Y geliquideerd.

De lening gekwalificeerd

In zijn aangifte inkomstenbelasting 2003 waardeerde X zijn lening af tot nihil en gaf het verlies ad € 10.000 aan als negatief voordeel uit ter beschikking gesteld vermogen. De inspecteur stelde zich echter op het standpunt dat er sprake zou zijn van een 'bodemlozeputlening' zodat informele kapitaalstorting zou hebben plaatsgevonden. Het verlies werd derhalve niet door hem geaccepteerd. Een bodemlozeputlening doet zich voor als een aandeelhouder onder zodanige omstandigheden een lening verstrekt aan 'zijn' BV dat direct duidelijk is dat aan de vordering van de aandeelhouder geen enkele waarde toekomt. Het verstrekken van de lening wordt dan fiscaal geherkwalificeerd als een storting van informeel kapitaal, hetgeen voor de vennootschapsbelasting al eerder door rechters is geconcludeerd. De inspecteur in deze zaak wilde die rechtspraak analoog toepassen en ook de onderhavige lening herkwalificeren, ook al was deze door een particuliere aandeelhouder verstrekt.. In een IB-situatie zou een verlies daarop slechts als AB-verlies in box 2 in aanmerking kunnen komen.

Standpunten inspecteur

De door de inspecteur gewenste herkwalificatie van de lening onderbouwde hij met een aantal argumenten. Niet alleen had de BV nauwelijks activa en een negatieve winstreserve, maar X had ook bij het verstrekken van de geldlening geen zekerheden geëist, terwijl externe geldverschaffers dat wel hadden gedaan. Ook het met de BV overeengekomen rentepercentage van 4% zou – gezien het risico – te laag zijn.

Daarnaast voerde de inspecteur aan dat de lening op het moment van verstrekking nauwelijks waarde zou hebben, nu een willekeurige derde deze lening niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben verstrekt. Hij stelde daarom de waarde van de lening op het moment van geldverstrekking op 10% van de nominale waarde. Alleen de afwaardering van 10% van de nominale waarde van de lening tot nihil zou volgens hem een negatief resultaat uit de terbeschikkingstelling zijn.

Rechtbank

De rechtbank stelde echter vast dat tussen X en zijn BV daadwerkelijk een geldlening was overeengekomen die binnen het bereik van de tbs-regeling viel. Het standpunt van de inspecteur over de informele kapitaalstorting werd daarmee naar de prullenbak verwezen. Dat standpunt is strijdig met de rangorde van de inkomensboxen binnen de Wet IB 2001. Bovendien was er – gezien de feiten en omstandigheden – evenmin sprake van een onzakelijke kredietverschaffing. Het na de geldverstrekking uitblijvende aantal deelnemers aan het te ontwikkelen systeem deed daaraan niet af. Er was immers geen aanwijzing aanwezig dat op het moment van de geldverstrekking de lening niet meer verantwoord zou zijn, of dat de lening op dat moment minder waard was dan de nominale waarde. Nu de waarde van de geldlening op 29 april 2003 € 10.000 was en de inspecteur niet betwistte dat deze op 31 december 2003 nihil was, kon X een bedrag van € 10.000 ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden brengen.