Mei 2008 - De VBI en de DGA: een never ending story
De VBI en de DGA: een never ending story
De van vennootschaps- en dividendbelasting vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) blijft de gemoederen bezighouden. Doel van dit per 1 augustus 2007 ingevoerde regime is om Nederland aantrekkelijker te maken voor de vestiging van beleggingsinstellingen. Toch lijkt het regime ook aanlokkelijk voor de (voormalig) DGA die in zijn holding beleggingen heeft.
DGA en VBI
Dat een aanmerkelijk belang in een VBI mogelijk is, staat buiten kijf. In tegenstelling tot de fiscale beleggingsinstelling kent de VBI immers geen kwalitatieve aandeelhouderseis. Bovendien is wettelijk geregeld dat een aanmerkelijk belanghouder in een VBI jaarlijks een forfaitair rendement van 4% van de waarde van dit belang dient aan te geven in box 2. Gezien het tarief in deze inkomensbox bedraagt de belastingheffing slechts 1% over de waarde van het belang. Bovendien wordt het forfaitair rendement opgeteld bij de verkrijgingprijs van het belang zodat latere vervreemdingsvoordelen lager zijn. Uit diverse berekeningen blijkt dan ook dat het VBI-regime voor een aanmerkelijk belanghouder aanlokkelijker is dan een ‘normale’ holding of dan het uitkeren van dividend dat vervolgens in box 3 wordt belegd. Geen wonder dat de ontwikkelingen rondom de VBI door veel DGA’s nauwlettend worden gevolgd.
Een VBI heeft evenwel geen recht op teruggaaf of verrekening van Nederlandse dividendbelasting of buitenlandse bronheffingen. Dit is een belangrijk nadeel als er voor een substantieel bedrag zou worden belegd in aandelen met een hoog contant dividend.
Besluit
Uit de parlementaire historie blijkt dat de VBI openstaat voor een gezamenlijke belegging van twee beleggers, ook al heeft één van hen slechts een belang van 1% in de VBI. In een later besluit – zie DGA Fiscaal maart 2008 – nam de staatssecretaris onverwacht een ander standpunt in. Volgens hem zou de vereiste collectieve belegging ontbreken indien er sprake was van één overheersende aandeelhouder, waarbij de andere aandeelhouders (doorgaans familiekring) er slechts bijgezocht zouden zijn om voor te vorm te voldoen aan het vereiste van collectief beleggen. In de ogen van de staatssecretaris werd dan evenmin voldaan aan het vereiste open-end karakter. Een verzoek voor toepassing van het regime voor de VBI wordt dan ook afgewezen in situaties van dergelijk – materieel bezien – individueel vermogensbeheer. Dit standpunt heeft nogal wat discussie opgeleverd. Onduidelijk bleef immers wanneer individueel vermogensbeheer overgaat in collectief beleggen, en er dus voldaan zou worden aan de collectiviteitseis van de VBI. Het leek niet uitgesloten dat de rechter uiteindelijk meer duidelijkheid zou moeten verschaffen ten aanzien van de houdbaarheid van het standpunt van de staatssecretaris.
Nieuw inzicht?
Het Financieel Dagblad meldt op 6 mei dat volgens bronnen rond het Ministerie van Financiën een nadere richtlijn in ontwerp is over deze grens tussen individueel en collectief. Uit deze berichtgeving blijkt dat een VBI zou worden toegestaan voor de DGA, mits een ander een belang
van minstens 10% heeft in dit beleggingslichaam. Hiermee komt het beleggen van gelden met een vrijstelling voor de vennootschapsbelasting weer binnen het bereik van de DGA, mits deze bereid is om een tweede aandeelhouder voor minimaal 10% mee te laten participeren. Een opmerkelijke nieuwe wending in de ontwikkelingen omtrent de VBI.
Het omvormen van een beleggingsholding tot een vrijgesteld beleggingslichaam vereist wel dat aan alle wettelijke vereisten voor de VBI moet worden voldaan. Zo zal eerst de balans van de beleggingsholding van de DGA geschoond moeten worden van pensioen- en lijfrenteverplichtingen, een eventuele vordering op de aandeelhouder(s) en onroerende zaken. Dergelijke vermogensbestanddelen worden niet als belegging geaccepteerd. Na de overdracht van deze zaken aan een andere vennootschap kan de holding worden omgezet in een NV. Bij deze omzetting zullen tevens de statuten van de nieuwe NV aangepast moeten worden om te kunnen voldoen aan de beleggingsdoeleinden die de VBI vereist.
De VBI zou zelfs als een postbedrijfsopvolgingsbeleggingslichaam kunnen fungeren waarbij iemand die zijn IB-onderneming staakt eerst geruisloos de holdingstructuur ingaat. Na verkoop van de aandelen in de materiële onderneming wordt de opbrengst daarvan uitgekeerd aan de holding/NV. Als laatste stap in dit proces zou dan een VBI-regime met de vrijstelling in de vennootschapsbelasting kunnen gelden. Het aldus ontbreken van een daadwerkelijke afrekening lijkt niet aannemelijk. Vooralsnog is het bericht in het Financieel Dagblad echter niet bevestigd, noch ontkend. We houden de ontwikkelingen daarom scherp in de gaten.

