Gebruiker:
Wachtwoord:
Log in

April 2008 - Een schijntje aan pensioen

R. Goedhart

Een poosje geleden beklaagde een werknemer van een klein bedrijf zich in de TV-uitzending Radar over de opbrengsten van zijn pensioenverzekering. Hij had een zogenoemd UPO (Uniform Pensioen Overzicht) ontvangen met vooruitzichten wat betreft zijn ouderdomspensioen. Dat bleek € 0,00 te worden. Toch betaalden zijn baas en hij maandelijks behoorlijke bedragen. De verzekeraar die aan de tand werd gevoeld kon slechts stamelen dat ze “deze zaak met de meeste spoed individueel zou oplossen”. Waar het ‘m in zat werd niet duidelijk. Hoewel we de exacte casus niet kennen, proberen we onderstaand mogelijke oorzaken aan te geven. Ook veel DGA’s beschikken immers zelf over dergelijke pensioenverzekeringen of hebben deze voor hun personeel afgesloten.

Traditioneel pensioen
In het verleden zegde een werkgever aan een werknemer meestal toe dat als die werknemer een bepaalde leeftijd zou bereiken, hij periodiek (per jaar, of per maand) een bepaald bedrag aan ouderdomspensioen zou ontvangen. Bij overlijden van de werknemer zou zijn of haar partner de rest van het leven periodiek een bedrag gaan ontvangen (weduwe-, weduwnaars- of partnerpensioen). Was het bedrijf niet aangesloten bij een pensioenfonds, dan dwong en dwingt de wet die werkgever ertoe om een verzekering te sluiten.

Beschikbare premie
Om allerlei redenen is het zogenoemde ‘beschikbare premiesysteem’ in Nederland in zwang geraakt, vooral bij het midden- en kleinbedrijf. Bij het traditionele pensioensysteem hadden de toegezegde pensioenuitkeringen een relatie met het salaris van de werknemer. Bij fluctueren – meestal verhogen – van dat salaris fluctueerde ook de hoogte van de pensioenuitkering en daarmee de premie. Hoe meer pensioen, hoe meer premie. Meestal kunnen pensioenverzekeraars niet vooraf opgeven welke premie zij gaan berekenen bij een salarisstijging zodat de werkgever niet goed kan inschatten welke gevolgen een verandering in salaris tot gevolg zal hebben.

Om van die onzekerheid af te zijn bieden verzekeraars en pensioenadviseurs de beschikbare premieregeling aan: de werkgever stelt een bedrag ter grootte van een percentage van het salaris beschikbaar als pensioenpremie.

Dat gaat bij de verzekeraar in een pot. Uiteindelijk bepaalt de grootte van die pot hoeveel pensioen de werknemer zal krijgen. Heel eenvoudig voor u als werkgever. Bij stijging van het salaris is ook de bijbehorende stijging van de pensioenpremie gemakkelijk te berekenen.

Nabestaandenpensioen wel traditioneel
De pot met pensioengeld bevat in de eerste periode verdraaid weinig, wat erg vervelend is als de werknemer dan zou komen te overlijden. Veel werkgevers willen ook dan voor de nabestaanden van die werknemer zorgen. Daarom wordt meestal voor het nabestaandenpensioen toch weer traditioneel gedacht. Als de werknemer komt te overlijden, ontvangt de partner een periodieke uitkering. De te ontvangen uitkering bedraagt meestal een percentage – vaak 1,225% – maal het salaris (eventueel onder aftrek van een franchise), maal de diensttijd die de werknemer door zou maken tot pensioenleeftijd als hij niet zou zijn overleden.

Beleggingsverzekering
Voor veel pensioenpolissen gebruiken de verzekeraars de beleggingsverzekering. Een deel van de ‘beschikbare premie’ gebruikt men om een kapitaal te verzekeren dat voldoende is om het toegezegde nabestaandenpensioen te kunnen uitkeren. Wat na aftrek van kosten overblijft kan belegd worden voor het ouderdomspensioen.
Niet het gehele bedrag dat nodig is bij overlijden hoeft overigens te worden verzekerd: bij het overlijden van de werknemer komt immers ook een deel van ‘zijn’ pensioenbeleggingspot beschikbaar. Het verzekerde deel bedraagt dus het gewenste kapitaal voor de nabestaanden minus de opgebouwde beleggingswaarde. In het offertestadium gaan aanbieders vaak uit van mooie rendementen. Hoe sneller de beleggingspot zich ontwikkelt, des te minder hoeft (extra) verzekerd te worden bij overlijden. Maar wat nu als in de werkelijkheid dat renderen tegenvalt? Dan zal de verzekeraar een grotere hoeveelheid geld aan het overlijdensrisico moeten besteden en kan hij minder voor de oude dag beleggen.

Globaal voorbeeld.
De verzekeraar offreert het volgende plan. Hij incasseert voor een werknemer van 35 jaar een premie van 5% van zijn salaris ad € 41.000 minus een franchise van € 11.000. Premie per saldo: € 1.500. Voor dekking van het partnerpensioen moet in het eerste jaar een bedrag van € 280.000 verzekerd worden. Premie: € 265. Voor belegging resteert € 1.235. Met 8% rendement is de beleggingswaarde aan het einde van het jaar € 1.335.
In het volgende jaar moet bij overlijden € 268.000 verzekerd zijn. Dat is minder dan het jaar ervoor, omdat de partner van de werknemer een jaar ouder is, zodat de verzekeraar in dat geval een jaar korter hoeft uit te keren. Rekening houdend met de al gevormde pot is het te verzekeren kapitaal ca. € 266.500. Premie voor overlijdensrisico: € 270. Dat is meer dan het jaar ervoor omdat de verzekeraar de premie vaststelt aan de hand van de leeftijd van de werknemer. Vervolgens kan er (€ 1.335 + € 1.230 =) € 2.565 belegd worden. Kijken we naar jaar drie, dan moet er bij overlijden € 258.000 verzekerd worden. Er is al een beleggingswaarde van € 2.770. Dus te verzekeren: ongeveer € 255.000. Premie € 277. De verzekering gaat het derde jaar in met (€ 2.770 + € 1.220 =) € 3.990 belegd geld.

Als we nu eens met een rendement van 10% negatief rekenen – de AEX daalde begin januari 2008 met dat percentage – en dat gechargeerd doorrekenen. Dan zien we het volgende:

 

jaar Nodig bij overlijden Te verzekeren Premie Te beleggen Waarde einde jaar
1 € 280.000 € 280.000 € 265 € 1.235 € 1.110
2 € 268.000 € 280.000 € 270 € 2.340 € 2.105
3 € 258.000 € 280.000 € 279 € 3.326  

 

Bij aanvang zien we weinig verschil met het geoffreerde. Toch zien we een sterkere stijging van de premie voor het overlijdensrisico dan bij de offerte. Als zo’n trend zich eenmaal doorzet dan ontstaat er een spiraal naar beneden. Steeds meer van het premiegeld naar het overlijdensrisico, steeds minder te beleggen en dus ook steeds minder belegd vermogen voor herstel bij eventueel latere hoge rendementen.

Arbeidsongeschiktheidsrisico.
Bij veel beschikbare premieregelingen biedt de werkgever de werknemer de mogelijkheid om zich aanvullend te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid: een uitkering naast de wettelijk geregelde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Als de beschikbare premie krap is vastgesteld en er ook nog een arbeidsongeschiktheidsrisico moet worden gedekt (naast overlijden) blijft er uiteindelijk weinig over voor opbouw van het ouderdomspensioen. Ook dat aspect kan leiden tot tegenvallende resultaten.

Bij beleggingspolissen staat ook de omvang van de kosten in de schijnwerpers. De ombudsman Financiële Dienstverlening adviseerde recent dat verzekeraars maximaal 3,5% van het belegde bedrag mogen inhouden als kosten. Hij adviseerde overigens niet over de evenzeer belangrijke manier waarop deze kosten worden ingehouden.

Communicatie
Communicatie over pensioen wordt steeds belangrijker. Pensioenadviseurs en -verzekeraars zullen u en werknemers veel duidelijker uit moeten leggen waaraan zij een pensioenpremie besteden. En ze zullen zeker bij beleggingsverzekeringen de werknemer goed moeten begeleiden, zegt de wet.

Als DGA-werkgever heeft u ook de verantwoordelijkheid voor de pensioenrechten van uw werknemers. Blijf dus kritisch op wat pensioenadviseurs en -verzekeraars u voorspiegelen.