September 2006 - Werken aan Winst: terbeschikkingstellingsregeling als het kind van de rekening?
Mr. Iris Kunst-Kersting
Bij de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 is de zogenaamde terbeschikkingstellingsregling in het leven geroepen. Deze regeling had als achtergrond dat de DGA en de MKB-ondernemer vanuit fiscaal oogpunt bezien gelijk belast zouden worden.
De oude wet
Als een MKB-ondernemer die zijn onderneming uitoefent in de vorm van een eenmanszaak een nieuw bedrijfspand kocht, behoorde dit pand tot zijn verplicht bedrijfsvermogen. Hierdoor werd een eventuele waardestijging van het pand bij verkoop in de belastingheffing betrokken tegen het progressieve inkomstenbelastingtarief van (destijds) maximaal 60%. De ondernemer die zijn onderneming uitoefent middels een BV kon en kan echter de keuze maken om het pand in privé te kopen waardoor een eventuele waardestijging onbelast werd genoten. Uiteraard was een boekverlies voor de MKB-ondernemer in de inkomstenbelasting aftrekbaar van zijn inkomen. Voor het privé-pand van de DGA was dit verlies niet aftrekbaar. In de praktijk blijkt echter zelden sprake te zijn van een boekverlies.
Terbeschikkingstellingsregeling
Met ingang van 1 januari 2001 is echter de zogenaamde terbeschikkingstellingsregeling in het leven geroepen. Hierdoor wordt het resultaat behaald met een pand dat de DGA koopt en verhuurt aan zijn BV belast alsof sprake is van een onderneming. De ontvangen huur is progressief belast in box 1 en rente, onderhoudskosten en afschrijving zijn aftrekbaar van het box 1 vermogen. Een boekwinst bij verkoop is eveneens belast in box 1.
Bij invoering van de terbeschikkingstellingsregeling was het gecombineerde vennootschaps- en inkomstenbelastingtarief (48,75%) voor de DGA nagenoeg gelijk aan de maximale inkomstenbelastingheffing over box 1 inkomen (52%). Er was een belastingstelsel gecreëerd waarbij nagenoeg sprake was van een rechtsvorm onafhankelijke heffing.
De DGA die een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt aan zijn BV staat echter wel op een achterstand ten opzichte van de MKB-ondernemer of een BV belast in de vennootschapsbelasting omdat voor hem geen ondernemingsfaciliteiten van toepassing zijn. Hij geniet geen zelfstandigenaftrek (dit in tegenstelling tot de MKB-ondernemer) en hij kan niet – zoals een BV - een herinvesteringsreserve vormen voor de boekwinst. Dit verschil wordt door de wetgever gerechtvaardigd door de stellingname dat geen sprake is van echt ondernemerschap; er is slechts sprake van geringe arbeid.
Werken aan winst
De regering Balkenende III wil de door Balkenende II ingediende voorstellen tot verlaging van de winstbelasting doorgang laten vinden. Bij deze voorstellen is enerzijds sprake van verlaging van de vennootschapsbelastingtarieven en een korting voor MKB-ondernemers waardoor 10% van hun winst onbelast blijft. Anderzijds is sprake van grondslagverbreding doordat onder anderen afschrijvingen worden getemporiseerd, aftrekposten worden geschrapt en onderhandenwerk hoger wordt gewaardeerd.
Het voorgestelde vennootschapsbelastingtarief wordt maximaal 25,5%. Van iedere € 100.000 winst houdt de DGA netto € 55.875 over, derhalve een belastingdruk van 45,125%. De MKB-ondernemer betaalt feitelijk maximaal 46,8% inkomstenbelasting over zijn winst.
De DGA die een vermogensbestanddeel ter beschikking stelt krijgt echter geen belastingverlaging. Zijn belastingdruk wordt zelfs hoger omdat zijn afschrijvingsmogelijkheden wordt beperkt door de huidige plannen. Omdat de ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen niet als winst uit onderneming worden belast zal de maximale belastingheffing over het inkomen 52% belopen. Bij een boekwinst op een pand van € 100.000 een verschil van ruim € 6.000.
Dit verschil is opmerkelijk als wordt gekeken naar het motief van de terbeschikkingstellingsregeling, namelijk de DGA en de MKB ondernemer even zwaar belasten. Van gelijke behandeling is bij dergelijke verschillen geen sprake meer. Uiteraard zijn hierover vragen gesteld in de tweede kamer. Het antwoord van de wetgever hierop is uiterst mager. Met name het risico dat ondernemers lopen en de noodzaak tot reserveren voor investeringen wordt aangedragen als rechtvaardiging voor het verschil in tarieven. De reden van invoering van de ter beschikkingstellingsregeling wordt hierbij geheel genegeerd.
Wat te doen als ter beschikking stellende DGA?
Als duidelijk is dat de wetgeving wordt ingevoerd kan overwogen worden om ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen alsnog aan de vennootschap te verkopen. Daarbij moet beoordeeld worden in welke mate het overbrengen van het vermogensbestanddeel direct belastingheffing tot gevolg heeft. Als bijvoorbeeld een pand ter beschikking wordt gesteld kan sprake zijn van heffing van inkomstenbelasting én van overdrachtsbelasting. De overdracht zou plaats kunnen vinden teneinde toekomstige heffing te beperken. Een goed advies van uw belastingadviseur lijkt hier op zijn plaats. ![]()

