Maart 2007 - Auto van de zaak en gebruikelijk loon
De zogenoemde gebruikelijkloonregeling geldt voor iedere directeur-grootaandeelhouder die werkzaamheden voor ‘zijn’ vennootschap verricht. De gebruikelijkloonregeling is overigens sinds 2001 ook van toepassing op een werknemer van een vennootschap die vermogensbestanddelen ter beschikking stelt aan die vennootschap.
Hoogte gebruikelijk loon
Op grond van de Wet op de loonbelasting (Wet LB) wordt het loon van deze DGA op ten minste € 39.000 (2007) vastgesteld. De hoogte van dit bedrag schommelt al jaren op ongeveer hetzelfde bedrag. Heeft een DGA minder loon genoten dan de norm, dan wordt het niet-genoten loon fiscaal toch in aanmerking genomen. Er bestaan overigens wel enkele correctiemogelijkheden op deze norm.
Als bijvoorbeeld het gebruikelijke salaris van een directeur die een soortgelijke functie uitoefent maar geen aanmerkelijk belang in een BV heeft (de toetsdirecteur) lager is, dan kan het fictieve loon worden verlaagd naar dat lagere niveau. Als evenwel het gebruikelijke salaris van deze toetsdirecteur hoger is, mag het salaris niet in belangrijke mate (30%) afwijken van dat gebruikelijke hogere salaris. In deze situatie geldt overigens wel als aanvullende voorwaarde dat het salaris niet lager mag zijn dan dat van de meestverdienende werknemer zonder aanmerkelijkbelangaandelen in de BV of daarmee verbonden vennootschappen.
Auto van de zaak
Sinds 2006 geldt ook voor de Wet LB dat een werknemer voor het genot van een auto van de zaak 22% van de cataloguswaarde van die auto tot zijn belastbare loon moet rekenen. De bijtelling blijft achterwege als de werknemer kan aantonen dat hij privé 500 kilometer of minder op jaarbasis rijdt. Deze fiscale bijtelling werkt ook door naar de gebruikelijkloonregeling. De auto kan dan op twee manieren een rol spelen. Op de eerste plaats is de bijtelling van invloed op de vaststelling van de hoogte van het gebruikelijk loon zelf. Daarnaast telt deze bijtelling natuurlijk ook mee bij de vaststelling van het loon dat de aandeelhouder met een aanmerkelijk belang al heeft genoten.
Premies
Ook voor de berekening van de premies voor volksverzekeringen - zoals de AOW - en de inkomensafhankelijke bijdrage voor de ziektekostenverzekering wordt deze fiscale bijtelling meegenomen. Bij de berekening van de af te dragen premies voor de werknemersverzekeringen – zoals WW en WAO - wordt echter het privégebruik van een auto buiten beschouwing gelaten.
Er is dus een verschil tussen de omvang van het loon dat in aanmerking wordt genomen voor de loonheffing (loonbelasting en premies volksverzekeringen) en het loon voor de premieheffing werknemersverzekeringen, indien een werknemer privé gebruik maakt van een auto van de zaak.
Goedkeuring
Deze verschillen werken ook door naar de gebruikelijkloonregeling voor een DGA: zoals hierboven is weergegeven sluit deze regeling nauw aan bij het loonbegrip in de Wet LB. Het ministerie van Financiën keurt nu goed dat de gebruikelijkloonregeling bij privégebruik van een auto verschillend kan uitwerken voor de loonheffing en de premieheffing werknemersverzekeringen. Deze goedkeuring is opgenomen in het besluit van een besluit van 9 februari 2007. Het besluit is in werking getreden met ingang van 1 januari 2007.
Om deze verschillende gevolgen van het al dan niet meenemen van de bijtelling te laten zien, heeft het Ministerie een rekenvoorbeeld opgenomen:
Voorbeeld
Als voorbeeld wordt een DGA ten tonele gevoerd die uitsluitend € 19.000 geniet als loon in verband met privégebruik van een auto. Terugrekenend blijkt dat deze DGA een auto met een cataloguswaarde van circa € 86.364 ter beschikking gesteld heeft gekregen, hetgeen in de gegeven situatie niet ongebruikelijk zal zijn. Gesteld wordt verder dat aannemelijk is dat voor deze DGA een loon inclusief privégebruik auto van € 39.000 gebruikelijk is. De omvang van het fictieve loon bedraagt dan € 20.000. Voor de loonheffing wordt het privégebruik meegenomen, zodat per saldo over € 39.000 loonbelasting en premies volksverzekeringen zal zijn verschuldigd. Dit – deels fictieve – loonbedrag geldt ook voor de inkomensafhankelijke bijdrage voor onze zorgverzekering. Voor de premieheffing werknemersverzekeringen mag de DGA de bijtelling achterwege laten. Zijn (premie)loon komt in dat geval uit op het bedrag van het fictieve loon, namelijk ‘slechts’ € 20.000. ![]()

