Gebruiker:
Wachtwoord:
Log in

November 2010 - Rentemarge belast bij sparen met geleend geld van de BV?

Rentemarge belast bij sparen met geleend geld van de BV?
mr S.M.H. Dusarduijn

Ongetwijfeld hebben veel lezers van dit magazine gehoord over de procedure omtrent de belastbaarheid van de rentemarge die een DGA behaalt doordat hij het van zijn BV geleende geld uitzet op hogerrentende spaarrekeningen. Is dit stuivertje-wisselen een schoolvoorbeeld van het slim toepassen van de regels van ons fiscale boxenstelsel of wordt het reëel behaalde voordeel toch belast? Advocaat-generaal Niessen heeft zijn hoofd gebogen over deze zaak en oordeelt inmiddels dat de rentemarge belast moet worden. Hoewel de Hoge Raad zich nog niet heeft uitgesproken over deze zaak, willen wij u de conclusie van Niessen niet onthouden.

De zaak
Wat is het geval? De heer X is directeur en enig aandeelhouder van een vennootschap, BV X genaamd. Deze vennootschap beschikte in het jaar 2003 over een aanzienlijk saldo liquide middelen. Op basis van een overeenkomst van rekening-courant heeft X in 2003 een bedrag van € 970.000 geleend van zijn BV en hij betaalt daarvoor een rentevergoeding van ongeveer 2,5% op jaarbasis.
Deze rentevergoeding is voor de heffing van de vennootschapsbelasting als zakelijk aangemerkt, zodat er geen fiscale correcties hebben plaatsgevonden bij de BV.
X heeft vervolgens het van de vennootschap geleende bedrag uitgezet op drie verschillende internetspaarrekeningen, waarop in 2003 een gemiddelde rente werd ontvangen van 3,6%. Dat betekent dat hij een rentevoordeel van gemiddeld 1,1% behaalt over het geleende bedrag: zijn voordeel bedraagt dus ruim € 10.000 op jaarbasis. X is van mening dat zowel zijn schuld aan de BV als het even zo grote positieve saldo van zijn spaarrekeningen tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort. Na correctie met de schuldendrempel en toepassing van de vermogensvrije voet bedraagt dan de te belasten grondslag nihil. Het voordeel van de rentemarge kan dan onbelast worden genoten.

Standpunt inspecteur
De inspecteur merkt dit bedrag echter aan als resultaat uit overige werkzaamheden en rekent de genoten rentemarge daarom tot het belastbare inkomen van X in box 1. Hij redeneert dat X arbeid had verricht in het economisch verkeer, waarbij voordeel werd beoogd en redelijkerwijs te verwachten was. Daarmee is in zijn visie voldaan aan alle vereisten voor het constateren van de aanwezigheid van een bron van inkomen. De inspecteur vindt dat hij daardoor niet meer hoeft te reageren op het argument van X dat er slechts sprake was van een in box 3 te belasten werkzaamheid die normaal vermogensbeheer niet te boven gaat.
 

De rechter
De rechtbank toont wel begrip voor het standpunt van X, maar Hof Den Haag stelt de inspecteur in het gelijk. Tegen deze uitspraak heeft X beroep in cassatie ingesteld. In dit beroep herhaalt hij nogmaals zijn standpunt dat er sprake is van gewoon vermogensbeheer zodat box 3 van toepassing zou zijn.
Bovendien doet X een beroep op het Besluit van 30 november 2001, waarin de staatssecretaris van Financiën de vraag beantwoordt of het doorverhuren van onroerende zaken tot resultaat uit overige werkzaamheden leidt. Nu in het Besluit deze vraag ontkennend wordt beantwoord, zou ook de gevolgde constructie onbelast moeten zijn.
 

Conclusie Niessen
Advocaat-generaal Niessen is van mening dat X door gebruikmaking van zijn positie van directeur en enig aandeelhouder van de BV èn de algemeen beschikbare kennis over rentetarieven, een voordeel heeft verworven dat voorzienbaar was en voor hem onder de gegeven omstandigheden ook beschikbaar bleek. De grens met normaal vermogensbeheer is daardoor overschreden. Niessen sluit zich daarmee aan bij het oordeel van het Hof dat X met zijn handelingen voordeel beoogde, welk voordeel hij ook redelijkerwijs mocht verwachten, zodat het voordeel belastbaar is als resultaat uit overige werkzaamheden. Volgens de advocaat-generaal kan X bovendien geen vertrouwen ontlenen aan het hiervoor genoemde Besluit, omdat in deze doorleencasus – anders dan de in het besluit beschreven situatie van doorverhuur – voordeel is beoogd en redelijkerwijs kan worden verwacht.
Niessen volgt hier het standpunt van de minister van Financiën die stelt dat slechts het enkele feit van doorverhuur niet tot heffing leidt, maar dat dit anders zal zijn als een belastingplichtige een woning zou huren in de wetenschap dat een derde een hogere huur zou willen betalen. Ook dan zou het voordeel in box 1 worden belast.
Het wachten is nu op de visie van de Hoge Raad.