Oktober 2010 - De auto van de zaak
De auto van de zaak
Dr. J.H.M. Arts
De bijtelling voor een auto van de zaak is een onderwerp dat de gemoederen blijft bezighouden. Voortdurend wordt gezocht naar mogelijkheden om aan de bijtelling te ontkomen.
De belastingdienst is zeer alert op een juiste nakoming van deze belastingverplichting en schuwt daarvoor onconventionele controlemethodes, zoals het fotograferen van kentekenplaten bij winkelcentra en attractieparken, niet. Het mag dan ook geen wonder heten dat met grote regelmaat geschillen over de bijtelling aan de rechter worden voorgelegd. Onlangs heeft de Hoge Raad over de toepassing van het autokostenforfait weer twee arresten gewezen. Het zijn geen opzienbarende arresten maar zij scherpen de spelregels wel weer duidelijker aan.
Beide zaken betroffen de toepassing van het autokostenforfait bij werknemers voor de inkomstenbelasting toen het autokostenforfait voor de loonbelasting nog niet gold. Sinds 2006 moet een werkgever, dus ook de BV van een DGA, loonbelasting inhouden over het bedrag van de bijtelling. Die regels verschillen echter niet van die welke voordien voor werknemers in de inkomstenbelasting golden. De arresten zijn daarom nu nog steeds van belang voor de toepassing van het autokostenforfait in de loonbelasting.
Twee auto’s
In de eerste zaak ging het om een DGA aan wie de BV twee auto´s ter beschikking had gesteld: een Hyundai en een Mercedes-Benz S500. De DGA had aanvankelijk in zijn aangifte inkomstenbelasting voor geen van beide auto’s een bijtelling opgenomen. Na een controle corrigeerde de inspecteur de aangifte en paste voor beide auto’s het autokostenforfait toe.
Over de bijtelling voor de Hyundai bestond verder geen verschil van mening; wel over die voor de Mercedes-Benz. De DGA stelde zich op het standpunt dat hij met deze auto niet meer dan 500 km privé had gereden, maar beschikte niet over een sluitende rittenregistratie van die auto voor het desbetreffende jaar (2002).
Het Hof legde de bewijslast dat met de auto meer dan 500 km privé was gereden, bij de in-specteur. Het Hof achtte de inspecteur er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat dit het geval was. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat er al een bijtelling voor één auto plaatsvond. De staatssecretaris van Financiën stelde tegen deze uitspraak cassatieberoep in. Daarop besliste de Hoge Raad dat de bewijslast van de inspecteur niet verder gaat dan dat deze moet aantonen dat de werkgever aan de werknemer een auto ter beschikking heeft gesteld. Als de inspecteur dit aantoont, moet de belanghebbende vervolgens aantonen dat met die auto niet meer dan 500 km privé gereden is, wil de bijtelling achterwege blijven. In de desbetreffende zaak kreeg de DGA daarom een bijtelling voor zowel de Hyundai als de Mercedes-Benz.
Vanaf 2006 betekent het dat een werkgever die aan een werknemer meer dan één auto ter beschikking stelt, voor elke auto over bewijs moet beschikken dat met de auto niet meer dan 500 km privé gereden wordt. Dit kan door middel van een verklaring ‘geen privégebruik’ die de werknemer aan de werkgever verstrekt, maar voor een DGA zal dit niet toereikend zijn. Als een werkgever namelijk weet dat de verklaring onjuist is, moet hij toch belasting over het forfait inhouden. Die wetenschap zal in het geval van een DGA steeds bij de werkgever, de BV, aanwezig zijn. Dan volstaat alleen een sluitende rittenregistratie voor elke ter beschikking gestelde auto waarmee niet meer dan 500 km per jaar privé gereden wordt, om aan de bijtelling te ontkomen.
Dure leaseauto
De tweede zaak betrof een werknemer die in een duurdere leaseauto reed dan de voor hem geldende norm. Voor de duurdere leaseauto was hij maandelijks een eigen bijdrage (boven-normbijdrage) aan de werkgever verschuldigd naast een vergoeding voor privégebruik. In geschil was de aftrek van de bovennormbijdrage. De Hoge Raad besliste dat deze slechts aftrekbaar was voor zover hij was toe te rekenen aan het privégebruik van de auto. Dit moest worden bepaald aan de hand van het totale gebruik in een jaar.
Uit dit arrest volgt dat de wijze waarop een eigen bijdrage voor privégebruik wordt vastgesteld, bepalend is voor de aftrek. Zou in het geval van het arrest de bovennormbijdrage worden opgenomen in de vergoeding voor privégebruik, dan was het hele bedrag aftrekbaar.

